Menu

De victory lap is een marathon

De victory lap is een marathon

Als Simone Zeefuik door de West-Kruiskade wandelt, overvalt haar een scheve nostalgie. De mensen zijn er nog, maar de meeste kappers, toko’s en boetiekjes van vroeger zijn verdwenen. Wat is de echte betekenis en toevoeging van de Black owned businesses voor de gemeenschap?

Voor alle pro-Black, Afro-Nederlandse mc’s en organizers die hun roeping op mute hebben omdat een aantal van ons wel honderden euro’s voor een schoen of telefoon betalen, maar niet komen supporten wanneer we niet op de gastenlijst staan.

Op zondag 31 maart 2019 rukten ego en haat een people’s champ uit ons midden. Vechtend tegen de tragische overgang van deelgenoten naar erfgenamen, vulden we onze timelines met de nalatenschap van Ermias Joseph Asghedom. De man die bij het publiek bekend is als Nipsey Hussle laat, naast een catalogus van mixtapes en albums, een aantal blauwdrukken richting revolutie na. Een van de door hem onderstreepte routes: eigenaarschap. Het kopen en runnen van gebouwen, het bouwen en betaalbaar houden van huizen. Dit is een typeownershipdat bewegingsvrijheid biedt en waarmee niet alleen het werk, maar ook de winst en het welzijn onderdeel blijven van de gemeenschap door wie ze worden geproduceerd.

Asghedom’s oproepen over de noodzaak van eigenaarschap binnen en investeren in de Zwarte gemeenschappen worden inmiddels veelvuldig gedeeld. Ze herinneren me aan een vraag die ik sinds een ver verleden als hiphopjournalist stel, en de laatste tijd steeds vaker aan denk: Hoe kunnen in Nederland wonende pro-Black mc’s steden met grote Afrodiasporische gemeenschappen hervormen? Hoeveel boekenwinkels zouden in het bezit zijn van of gerund worden door Afro-Nederlanders? Hoeveel supermarkten? Hoeveel scholen, filmhuizen, radiostations/-shows, fitnesscentra, kennisinstituten en poppodia zouden we hebben? Hoe zouden de gebouwen en straten heten? De urgentie om vastgoed en mediakanalen te bezitten, komt voort uit een andere noodzaak: het belang om de eigen verhalen te vertellen, te archiveren en te verbeelden. En even belangrijk als het verbeelden van en investeren in dat wat er zou moeten zijn, is het supporten van dat wat er al is.

Vampierenbeet van de gentrificatie


Een deel van m’n jeugd speelde zich af in de Gouvernestraat en haar hoofdader, de Kruiskade. Ruim twintig jaar later is het nog steeds mijn lievelingsdeel van Rotterdam. Wandelingen door de Kruiskade doen me denken aan een zin uit Amiri Baraka’sSomething In The Way Of Things. Ik herken mezelf nog steeds in de mensen op straat, maar niet langer in het aanbod. M’n liefde voor de Kruiskade is gebaseerd op nostalgie, niet op recente gevoelens van thuiskomen. Het is alsof dat wat je was zonder jouw goedkeuring besloot om er niet meer voor je te zijn. Of zoals Baraka beschrijft: “yourself passing yourself not smiling”.


De situatie in Rotterdam is geenszins zo tergend als die in de hoofdstad, waar het centrum zichzelf in een Pinokkio-achtige wanhoop naar de uitverkoop heeft gesleept in de hoop om ooit een echte metropool te worden. Het past minder in het karakter van Rotterdam om zichzelf zo te verliezen in de wurggreep van merchandisewinkels en franchises. Maar toch verandert ook de havenstad op een manier die de aanwezigheid van Black owned businesses een andere lading geeft. In een wijk waar de straten volstromen met supermarkten of tentjes waar hipsters je jollofsalade en broodjes injera proberen te verkopen, heeft het betekenis wanneer de kappers, toko’s, boekenwinkels en boetiekjes verdwijnen. Op zulke momenten gaat het bij de kapperszaken nog uiteraard steeds om locs, ‘fro’s, fades en contouren, maar ook om resistance. Resistance, overleven en claimen.

Veel zaken die vandaag de dag de kassa’s van de Nederlandse kennisinstituten, media en hipstertentjes laten rinkelen, zijn geworteld in de verbeelding van Zwarte en niet-Zwarte Personen van Kleur. Niet alle huizen van onze kunst, keukens en kapsels hebben de vampierenbeet van gentrificatie en appropriatie overleefd, maar een aantal van onze pilaren are still standing. Denk bijvoorbeeld aan Kapsalon Elaine, de zaak die in 1975 de deuren van het pand aan de West-Kruiskade 33B opende. Een Black owned business die zich al 44 jaar staande weet te houden in het centrum van een grote, Nederlandse stad verdient een pluim. Niet zozeer in de vorm van lintjes of andere institutionele erkenningen, maar het type support dat rinkelt en knispert.

De meeste Zwarte personen zullen het met me eens zijn: binnen onze gemeenschappen zijn kapsalons van onschatbare waarde. Deels vanwege onze relaties met ons haar, maar ook zeker vanwege de gesprekken die je er voert. Niet elk kapsel vraagt dat je urenlang aanwezig bent, maar soms is dat wat het gesprek van die middag van je eist: dat je even blijft zitten om mee te praten, maar vooral om te luisteren. De kapper als moderator, master of ceremonies en archivaris, de klant als panellid en publiek.

Arena van verhalen

Lang voordat koloniale instituten schouderklopjes eisten omdat ze onze vrijheidsstrijden eindelijk de upgrade van ‘compleet afwezig’ tot ‘randprogrammering’ gunden, hadden wij het al over de noodzaak om te verzetten, te weigeren, te verbeelden en te (her)vormen. In ruimtes gerund door onze ouders, tantes en ooms spraken we al over migratie, religie en spiritualiteit, politiek, economie, schoonheid, kunst, interdiasporale solidariteit en racisme. Lang voordat mainstream wit-NL onze waarde kende. Onze gemeenschappen hebben altijd hun pilaren gehad. Soms voelden ze als nieuwe stappen richting thuishoren, soms als ambassades van onze heimwee, maar het was altijd wat we hadden. Hebben. Naar moeten blijven streven.

Veel van de in Nederland gevoerde gesprekken over de verhalen van, door en uit de Afro-Nederlandse gemeenschappen, gaan over behoud. Hoe en waar bewaar je ze, hoe zorg je ervoor dat ze toegankelijk blijven, enzovoorts. Even belangrijk als de archieven waar onze verhalen in terecht komen, zijn de arena’s waarin ze ontstaan en uitgesproken worden. Gentrificatie is zoveel meer dan de zoveelste frozen yoghurt-tent of een hoger parkeertarief. Het gaat om uitsluiting, racisme en andere vormen van colonial mentalities die ervoor zorgen dat Zwarte en niet-Zwarte Personen van Kleur langzaam uit het straatbeeld verdwijnen. Eerst de door ons gerunde zaken. Later wijzelf, omdat dat waarvoor we kwamen, dat waarin we onszelf herkenden, gesloten is.

Wie draagt ons? Zowel in figuurlijke als in letterlijke zin. Snappen we het belang van een Black owned kapper in het centrum van Amsterdam? Vinden we het ook wel oké als een straat zo ingericht wordt dat we nooit lang hoeven te lopen voor onze zondagse boodschappen? Geven we ons geld aan ontwerpers die ons worden aangeprezen door publieke figuren die misschien op ons lijken, maar die hun connecties met de normale, non-excellent leden van onze gemeenschappen lang geleden ontkoppeld hebben? Of investeren we in merken als Clan de Banlieue, zodat onze euro’s niet direct onze gemeenschappen uit vliegen? Vinden we het een onvermijdelijk proces dat zoveel van onze kapsalons, boetieks, boekenwinkels en toko’s hun deuren moeten sluiten, of investeren we actief in het behoud van onze zaken?

Niet een sprint

Het enige Nipsey nummer dat ik ken, is F- Donald Trump. Ik gebruik het werkwoord ‘kennen’ in de meest losse vorm, want ik bedoel eigenlijk dat ik de titel en daarmee het refrein ken. Ik ken een aantal van zijn visies op eigenaarschap en ik herken het fenomeen waarin we een revolutionaire boodschap pas massaal delen wanneer het, gedragen door iemands laatste adem, langs ons waait. Er komt een moment dat onze liefde en waardering voor Ermias Joseph Asghedom niet meer weerspiegeld wordt op al onze timelines en in al onze playlists. Dat hoeft ook niet. Wat zonde zou zijn, is als we de zoveelste oproep om in onszelf te investeren beperken tot conversaties die slechts faden in een oneindig gesamplede “Ja man, ja man… eeeey… ja man.”

Rotterdam is de hoofdstad van Zwartzijn in Nederland, de zetel van de Afro-Nederlandse gemeenschap. Je zou het inderdaad niet zeggen als je naar de gemeenteraad of het stemgedrag tijdens de Provinciale Statenverkiezingen kijkt. Maar waar de Bijlmer het gezicht van Amsterdam op intellectueel, artistiek en activistisch niveau hoog houdt, zo draagt Rotterdam ons landelijk. In Rotterdam zou het Afro-Nederlandse Instituut gevestigd moeten worden. Hier zou een filmhuis moeten komen waar we het werk van Clarice Gargard, Silvia Martes, Amin ‘Iyahmin’ Hassan, André Reeder, Bouba Dola en Bibi Fadlalla kunnen zien. Niet alleen tijdens een festival, maar op een doodgewone donderdagavond. Hier zouden de volgende generaties mc’s vanuit de voetstappen van de Pan Afrikanz, UnknownEye, Concrete a.k.a. TheBlackStarLiner, D-Son (Adison dos Reis) en GMB (Gery Mendes) niet alleen spiritueel, maar ook financieel gedragen moeten worden door de gemeenschappen richting wiens welzijn ze rhymen.

Moge onze rouw resulteren in een run richting vrijheid. En niet een sprintje, maar een marathon.